Nieuwsbrief augustus 2018

trent-erwin-338084-unsplash.jpg
 
 

 

 

Bye Bye WCO, welcome GREO !
Omgaan met ondernemingen in moeilijkheden 3.0

 

 
 
 
 

In de pers duikt af en toe nog de notie “Gerechtelijk akkoord” op. Ook in de volksmond wordt nog vaak deze achterhaalde terminologie gebruikt wanneer men het heeft over een onderneming in moeilijkheden die “bescherming gezocht heeft tegen haar schuldeisers”.
 
Van het “Gerechtelijk akkoord” is al geen sprake meer sedert september 2009, met name sedert de invoering van de Wet Continuïteit Ondernemingen  (‘WCO’). De vaak verguisde WCO rondde echter de kaap van de 10 levensjaren net niet. Met de invoering van een nieuw Boek XX in het lijvige Wetboek Economisch Recht (‘WER’) werd de WCO per 1 mei 2018 immers opgeheven.
 
Voortaan leven de instrumenten die aan ondernemingen in moeilijkheden ter beschikking staan om te voorzien in hun redding verder onder de noemer “Gerechtelijke reorganisatie” (‘GREO’), weze het in een op menig aantal punten aangepaste vorm. Voortaan spreken we dus over de GREO !
 
Als ondernemer bent u maar beter op de hoogte van de eventuele reddingsmiddelen die de Wetgever u biedt voor het geval dat uw onderneming tijdelijk in moeilijker vaarwater belandt. Ook als sterke schuldeiser die geregeld geconfronteerd wordt met wanbetalers - ondernemingen die ‘in de GREO belanden’, kent u best ook de basisprincipes van deze instrumenten, al was het maar om in voorkomend geval te trachten zo veel als mogelijk uit de brand te slepen.
 
In onze volgende nieuwsbrieven zullen we geregeld een GREO-topic duiden. GREO kadert dan ook volop in onze specialiteit “Insolventierecht”.
 


 

GREO : (vaak) geen remedie meer om aan een verkoop na beslag te ontsnappen !
 
Een toch zeer belangrijke vernieuwing inzake GREO situeert zich op het vlak van de impact van de GREO op reeds gelegde roerende of onroerende beslagen en geplande verkopen.
 
De roerende en onroerende goederen van ondernemingen in moeilijkheden worden ingevolge aanhoudende wanbetaling en de invorderingsacties van schuldeisers vaak in beslag genomen, om navolgend verkocht te worden. Vooraleer het zover komt, is vaak al een langere lijdensweg afgelegd (ingebrekestellingen, dagvaarding voor de rechtbank, betekening vonnis met bevel tot betalen, …). De gerechtsdeurwaarder is met andere woorden een geregelde gast geworden.
 
Een dergelijke beslaglegging met nakende verkoop is voor veel ondernemingen (helaas) pas de noodzakelijke “wake-up call” om de nodige actie te ondernemen. In extremis doet men beroep op de GREO, niet zozeer direct met als diepere bedoeling de onderneming definitief te redden (vaak is men onwetend over de mogelijkheden die het recht biedt ter zake), maar eerder om het beslag en de verkoop alsnog te verhinderen! Vaak erg frustrerend voor de schuldeisers die al veel geld in hun invorderingsproces hebben gestoken, welke kosten alsdan vaak “kosten op het sterfhuis” blijken te zijn.
 
De wetgever heeft hier, afhankelijk vanuit welk standpunt u het bekijkt, ten goede of ten kwade, ingegrepen. Voortaan stipuleert de wet dat ‘indien de dag die vastgesteld is om over te gaan tot de gedwongen verkoop van (on)roerende goederen afloopt binnen een termijn van twee maanden na het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, kunnen de werkzaamheden van verkoop op beslag worden verdergezet.’
 
De kans is groot dat een laattijdig beroep op de GREO een geplande verkoop na beslag dus niet zal kunnen verhinderen ! Voor ondernemingen in moeilijkheden betekent dit dat véél sneller een beroep moet worden gedaan op de GREO en eigenlijk niet meer mag gewacht worden tot er beslag gelegd wordt. Voor schuldeisers betekent dit dat zij ondanks een laattijdige GREO toch tot verkoping na beslag zullen kunnen overgaan.
 
Achterpoortje? : de wet laat wel toe dat de rechter op verzoek van de beslagen schuldenaar het beslag schorst. De eerste rechtspraak die ons bereikt, wijst op een recalcitrante houding van de rechter wanneer hij vaststelt dat de schuldenaar te laat heeft gereageerd. Indien het beslag daadwerkelijk toch zou geschorst worden, dan moeten de gemaakte kosten alleszins worden vergoed aan de schuldeiser.